
Geo-archeologische
interpretaties zijn grotendeels gebaseerd op observaties in
het veld en/of gedetailleerde beschrijvingen van monsters.
Soms kunnen echter de hypothesen die hierop berusten alleen
worden bevestigd of verworpen door middel van laboratoriumanalyse.
ARCA's geo-archeologisch laboratorium aan de Universiteit
van Winchester is dan ook uitgerust met een verscheidenheid
aan apparatuur. Om de aanbevelingen op te kunnen volgen die
tijdens site-bezoek werden gedaan en/of het resultaat zijn
van geo-archeologische grondboringen, biedt ARCA momenteel
de volgende vormen van analyse:
De techniek van atomaire absorptiespectrometrie (met gebruikmaking,
in het geval van ARCA, van Philips apparatuur) wordt gebruikt
om de elementaire samenstelling van een monster te bepalen.
Onder sommige sedimentaire en pedologische omstandigheden
kan de aanwezigheid van bepaalde elementen duiden op menselijke
activiteit in het verleden, tijdens de opbouw van een stratigrafische
laag. Zulke geochemische gegevens kunnen ook worden gebruikt
om de herkomst van sedimenten te achterhalen.
Door de magnetische gevoeligheid van monsters te meten
kan het effect van verbranding en pedogenese (bodemvorming)
op een sedimentaire eenheid worden ingeschat, en ook deze
vorm van analyse kan worden gebruikt om de herkomst van
sedimentaire lagen te achterhalen. Voor een routinescan
van handmatig en mechanisch genomen monsters wordt een Bartington
MS2C meter gebruikt; gedetailleerdere metingen worden verkregen
d.m.v. een Bartington MS2B meter, die op twee frequenties
metingen kan verrichten.
De aanwezigheid en hoeveelheid van organisch materiaal
kan worden vastgesteld door een monster te verbranden in
een moffeloven. Als een monster aan zeer hoge temperatuur
wordt blootgesteld gaat eventueel organisch materiaal verloren,
wat leidt tot een reductie in massa; het is dit verlies
in massa dat gemeten wordt bij deze techniek. De resultaten
van zulke metingen worden gecombineerd met die van andere
sedimentologische analyses om het ontstaan van het sediment
te achterhalen, en de effecten van menselijke activiteit
en postdepositionele verstoring.
Korrelgrootteanalyse wordt gebruikt om het ontstaan (en
soms de herkomst) van een sediment te achterhalen en om
inzicht te verkrijgen in het effect van postdepositionele
processen. ARCA maakt gebruik van de traditionele techniek
van handmatig droog zeven (voor zand) en van een hydrometer
voor silt en klei.
Voor fosfaatanalyse wordt een Palintest Fotometer gebruikt;
hiermee kan de totale hoeveelheid fosfaat in een monster
gemeten worden. Onder bepaalde pedologische en sedimentologische
omstandigheden kunnen relatief hoge fosfaatconcentraties
wijzen op menselijke activiteit. In zulke gevallen kan fosfaatanalyse
dienst doen als prospectiemiddel (zowel ruimtelijk als stratigrafisch).
Om hun archeologische betekenis te onthullen, dienen laboratoriumgegevens
te worden geïnterpreteerd. ARCA zorgt dan ook altijd
dat alle informatie die op deze wijze verkregen is vergezeld
wordt door een geïllustreerd verklarend rapport.